• Bericht reacties:0 Reacties
  • Laatste wijziging in bericht:25 september 2023
  • Leestijd:42 minuten gelezen
  • Bericht auteur:
  • Berichtcategorie:Artikelen

De vakantie ging dit jaar naar het Verenigd Koninkrijk. En net als in voorgaande jaren ging ik tijdens de vakantie op zoek naar boeken over motorsport. Daarbij merk je dat elk land zo zijn eigen favoriete onderwerpen heeft: In Italië is het de kleur rood, in Frankrijk gaat het vaak over Le Mans, in Scandinavië vind je vaak boeken over rally’s en in Duitsland gaat het vaak over de beroemde Duitse merken, de Silberpfeilen of over de Nürburgring.

In Engeland ging het uiteraard veel over de Britse coureurs: vooral Hamilton maar ook nog steeds over Button en zelfs over Herbert en Coulthard waren er nog veel boeken te vinden. Maar mijn aandacht ging vooral uit naar een typisch Britse discipline die echter in het gehele Verenigd Koninkrijk niet uitgeoefend mag worden: Roadracing. Het racen met motoren op afgesloten wegen, voornamelijk buiten de bebouwde kom.

Vooral in Ierland, Noord-Ierland en het Isle of Man wordt aan roadracing gedaan. In Engeland, Wales en Schotland is het echter verboden. In de tijd dat auto- en motorsport opkwam had het Verenigd Koninkrijk namelijk een door de machtige spoorweglobby afgedwongen snelheidslimiet van 20 mijl per uur op de openbare weg, die ook gold voor evenementen op afgesloten openbare wegen. Sindsdien is de regel altijd blijven bestaan: de maximum snelheid op de openbare weg geldt ook voor races. Alleen voor de Birmingham Superprix die van 1986 tot en met 1990 werd gehouden werd een uitzondering gemaakt, na een jarenlang proces met diverse sessies in het Lagerhuis. Voor de Formule E is men tegenwoordig een stuk soepeler.

Jarenlang stonden roadraces gewoon op de kalender van het Grand Prix wereldkampioenschap. De Isle of Man TT, Ulster Grand Prix, maar ook een circuit als Brno in Tsjechië, of de oude Sachsenring in de DDR. Spa, of eigenlijk toen nog Francorchamps, was een wegcircuit. En ook onze eigen TT van Assen was van origine een roadrace, van Assen naar Hooghalen en via een omweg weer terug.

Racen op de openbare weg: Dundrod

Roadracing was, en is, zeer gevaarlijk. Een valpartij kan uiteraard overal gebeuren maar de gevolgen kunnen op een wegcircuit veel groter zijn. Een lichtmast, een stoeprand, niet ideaal als je deze tegenkomt terwijl je met je leren pak over het asfalt schuift. Een permanent circuit biedt veel meer ruimte om in alle rust tot stilstand te komen zonder allerlei obstakels tegen te komen.

Daarbij zijn wegen buiten de bebouwde kom ontworpen met zo weinig mogelijk hindernissen voor zoveel mogelijk rijcomfort voor ons gewone stervelingen met beperkt rijtalent. Maar onder raceomstandigheden betekent dat extreem hoge snelheden, vaak hoger dan op permanente circuits.

Door de geschiedenis heen heeft de FIM steeds meer wegcircuits in de ban gedaan. De Ulster Grand Prix op Dundrod verdween begin jaren ’70 van de kalender. Assen hield haar TT vanaf 1955 op een permanent circuit. De Sachsenring verdween in 1972 ook al was dat vooral een politieke ingreep. De DDR vond de verderfelijke motorsport geen reclame voor haar heilstaat, vooral niet na de winst van de Westduitser Dieter Braun waarna het DDR publiek het Westduitse volkslied ging meezingen.

In 1976 vond de FIM het ook wel welletjes met de Isle of Man TT en schreef voor dat vanaf 1977 de Britse Grand Prix op een permanent circuit moest plaatsvinden. Sinds 1973 werd het evenement al geboycot door alle toprijders en topteams.

In de jaren ’80 sloten Brno en Imatra in Finland het roadrace tijdperk in het wereldkampioenschap af.

Roadraces verdwenen uit het WK maar verdwenen niet van het toneel. De Ulster Grand Prix wordt nog jaarlijks gereden, net als de Isle of Man TT. Verder zijn er in alle streken van Ierland en Noord Ierland allerlei kleinere meetings te vinden. Het episch centrum van de sport is onmiskenbaar in Ierland en op Man te vinden, maar ook elders worden er nog roadraces gereden: Op Imatra, in de Baltische staten, in Australië en Nieuw-Zeeland en in Macau.

Tussen struiken en keien, aan 200 km/h

De organisatie van de Isle of Man TT wapperde in de eerste jaren na 1976 nog wel met de portemonnee om Grand Prix sterren te trekken. Het was toen sowieso de meest betalende motorrace in de wereld met een prijzenpot van wat tegenwoordig een half miljoen euro zou zijn, voor die tijd een kolossaal bedrag. Wereldkampioen Barry Sheene en Kenny Roberts lieten de vele ponden aan zich voorbijgaan maar andere toprijders zoals Pat Hennen en Phil Read, hapten wel toe. Het kwam Hennen duur te staan. Hij hield aan een valpartij in de TT van 1978 ernstig hersenletsel over en zou nooit meer een race rijden.

In 1978 en 79 had de organisatie nog een opsteker met de deelname van Mike Hailwood die na 11 jaar weer zijn leren pak aantrok. Hij won prompt in beide jaren de senior TT, alvorens definitief te stoppen.

Roadracing wordt een specialisme
Door het wegblijven van de Grand Prix rijders werden de roadraces steeds meer een kunstje voor de specialisten. De Grand Prix rijders, of zogenaamde short circuit rijders, gingen hooguit op halve kracht tijdens de roadraces omdat ze het risico veel te hoog achtten. De roadracers reden op permanente circuits weer te langzaam omdat ze tijdens roadraces hadden geleerd niet te vallen, want elke val kon je laatste zijn. Maar dat betekende dat zij op de permanente circuits ook niet de risico’s namen waartoe de short circuit rijders wel bereid waren. Want een val betekende misschien een paar gebroken botten maar niet meer dan dat. De roadracers hadden moeite om de ingebouwde veiligheidsmarge af te zweren.

Waar in de Grand Prix wereld de voornaamste namen Roberts, Spencer, Sheene, Mamola en Lawson werden, waren in de roadraces de namen van Joey Dunlop, Roger Marshall, George Fogarty en Ron Haslam gemeengoed.

De grootste: Joey Dunlop
Joey Dunlop was en is ontegenzeggelijk de grootste roadracer. Hij zou uitgroeien tot de grote ster van de TT en alle grote roadraces in de jaren ’70, ’80 en ’90. In de Grand Prix wereld zal men zijn de neus ophalen bij het bekijken van zijn resultaten: slechts 2 deelnames, maar dat zegt niets over de rest van zijn palmares.

Joey Dunlop in 1975

En met dat palmares is Joey Dunlop de grootste held uit de Noord-Ierse sportgeschiedenis. Hij reeg van 1969 tot 2000 vele overwinningen aan elkaar, waaronder 26 TT overwinningen op het eiland Man, 24 maal winst in de Ulster GP en 13 maal gezegevierd bij de NorthWest 200. Daarbij was hij 5 keer de beste in het Formula 1 TT-wereldkampioenschap, het kampioenschap dat werd opgericht nadat de TT van Man uit het Grand Prix WK werd gehaald. Het Formula 1 TT kampioenschap bestond uit een mix van roadraces en races op permanente circuits.

Joey Dunlop zou nooit hebben kunnen gedijen in de Grand Prix wereld. Het was gewoon niet zijn omgeving. De sfeer van de roadraces paste beter bij hem, waar het publiek dichtbij kon komen, waar je niet verschuilde in een motorhome maar waar je gewoon in de open lucht aan je motor moest werken.

Joey sleutelde het liefst gewoon in de openlucht

Ron Haslam, enkele jaren zijn teamgenoot, heeft heel wat herinneringen aan Dunlop. “Joey hield er vooral van om aan zijn motoren te sleutelen, alleen of met enkele goede vrienden, in een spijkerbroek en een shirt met olievlekken. Officiële teamkleding bleef ongebruikt in de kast hangen of was na één middag versleten. Sponsorverplichtingen waren aan hem niet besteed. Hij kwam, deed wat hij moest doen en verdween weer.” Daarbij sprak Dunlop altijd met een Noord Iers accent wat zelfs voor inwoners van Belfast nauwelijks verstaanbaar was.

Haslam en Dunlop vormden samen het Honda fabrieksteam in het Formule 1 TT kampioenschap. “Joey had moeite om de afstelling van de motor aan monteurs over te laten. Hij deed het liever allemaal zelf, tenslotte deed hij dat ook altijd toen hij nog privérijder was. Bovendien werd hij niet gelukkig van alle officiële plichtplegingen die horen bij het leven van een fabriekscoureur. Hij was heel blij met de motoren maar alles eromheen…Hij haatte het.”

De Japanners fronsten regelmatig hun wenkbrauwen als ze zagen aan wie ze hun motoren toevertrouwden. Haslam: “Honda regelde dure hotelkamers maar die van Joey was altijd leeg. Hij sliep liever in zijn eigen busje. Hij was volslagen onaangepast bezig. Een pak droeg hij nooit, behalve die twee keer dat hij een onderscheiding van de koningin kreeg. De kapper bezocht hij ook slechts mondjesmaat.”

Dunlop’s vader was een monteur die vooral goed was in het reviseren van motoren. Dunlop was niet echt goed op school maar de kunst van het motoren in en uit elkaar halen kreeg hij met de paplepel ingegoten. In zijn jeugd wees niets erop dat er een gtalenteerd motorcoureur in Dunlop zat.

Als zijn zus Helen niet op een gegeven moment met haar verloofde Mervyn Robinson was thuisgekomen had Joey Dunlop waarschijnlijk een onopvallend bestaan gehad. Robinson racete met motoren, voor de lol, als er een beetje prijzengeld mee naar huis kwam was het mooi. En Joey kon het onmiddellijk goed vinden met zijn zwager in spé.

Een jaarlijks bezoek aan de NorthWest 200, na Man en Ulster de grootste roadrace, deed de rest. Dunlop zou zich samen met zijn zwager gaan wagen aan de racerij. Later voegde lokale rijder Frank Kennedy zich bij hen en gedrieën vormden zij de Armoy Armada, genoemd naar het geboortedorp van Robinson.

De Armoy Armada: Joey, Frank Kennedy, Jim Dunlop en Mervyn Robinson

Dunlop was een langzame starter, het duurde een paar jaar voordat hij het racen echt in de vingers kreeg. Zijn zwager was in die jaren veelbelovender.

Zo door de jaren ’70 werden Joey’s resultaten gestaag beter. De top 10 klasseringen werden steeds talrijker en verschoven langzaam maar zeker naar regelmatige top 5 resultaten, aanvankelijk op zowel roadcircuits als op permanente circuits, maar het begon er toen al op te lijken dat Joey vooral een roadrace specialist aan het worden was. In 1977 zou Dunlop voor de eerste keer een race in het kader van de Isle of Man TT winnen. Het was de Jubilee race, ter ere van het zilveren jubileum van Koningin Elizabeth. Niet alle toppers deden mee maar het was niettemin een klinkende overwinning.

Joey en Mervyn, en de sfeer van roadracing in de jaren ’70

Stoppen…..en terugkeren
Na 1979 was het bijna voorbij. Joey overkwam niets maar tijdens de North West 200 van 1979 verongelukte Frank Kennedy, zijn vriend van het eerste uur in de Armoy Armada. Kennedy zou maanden in coma liggen alvorens te overlijden. Dunlop en Mervyn Robinson zouden regelmatig aan zijn bed zitten.

Enkele maanden na Kennedy’s dood stond de North West 200 editie 1980 op het programma. En weer was er een zwaar ongeval, ditmaal was het Mervyn Robinson, en ook ditmaal was het fataal.

Joey Dunlop trok zich terug uit de wedstrijd, pakte zijn spullen in en gaf te kennen af te zien van deelname aan de TT. Hij was het laatste lid van de Armoy Armada maar de tol was te hoog, het was afgelopen…

Een maand later stond Hector Neill met zijn team klaar in Douglas voor deelname aan de TT. “De eerste trainingsdag liep ik langs het Walpole Hotel waar Joey altijd verbleef tijdens de TT. Tot mijn verbazing zag ik ‘m voor de deur op een muurtje zitten.

‘Je bent toch gekomen!’ zei ik. ‘Ik denk dat Merv graag gewild had dat ik meedeed dus…’. Vervolgens vertelde hij me dat hij voor de Classic TT ging, de grootste race van de week met de beste deelnemers. Ook al zat hij niet in mijn team, maar dat van John Rea, toch wilde ik ‘m helpen. Joey Dunlop was nou eenmaal een fantastische vent”.

Verouderde Yamaha, grotere tank en veel talent. Joey wint de Classic TT van 1980

Dunlop reed op een verouderde Yamaha die eigenlijk kansloos was tegen de Honda’s. Daarbij had hij ook geen snelvulsysteem om bij te tanken tijdens de race. De Honda’s hadden dat wel en pits in, tanken en pits uit kostte hen 25 seconden waar Dunlop zo’n 50 seconden nodig had. Er werden allerlei suggesties gedaan hoe dit probleem te omzeilen tot Joey gezegd zou hebben: “How about a bigger tank?” Zo-gezegd-zo-gedaan, de gewone tank werd verwijderd, een grotere, geleverd door Hector Neill, geïnstalleerd. Er was niets te vinden in het regelement wat een grotere tank verbood. Maar het vereiste wel wat kunst-en-vliegwerk, want eigenlijk paste de tank niet helemaal. Maar hiermee hoefde Dunlop slechts éénmaal naar de pits en de andere deelnemers tweemaal. De rest moest hij met z’n talent oplossen.

En dat deed hij. Dat de Yamaha al 4 jaar oud was bleek geen probleem om de gloednieuwe Honda’s bij te houden of zelfs voor te blijven. Haslam: “Hij reed me met die oude barrel op 2 minuten en won de race!” En het zag er geheel in Dunlop stijl vloeiend en gemakkelijk uit. Hoewel? Hij zat wat vreemd op de motor en leek de hele tijd iets tussen zijn benen te klemmen. De grotere tank bleek niet goed vast te zitten….

“If you can’t beat him, hire him” moeten ze bij Honda gedacht hebben. Een jaar later zat Joey op een Honda en hij zou nooit meer een ander merk rijden.

In de jaren die volgden won Dunlop geregeld een race in het kader van de TT. En was hij oppermachtig in het Formule 1 TT wereldkampioenschap. Daarbij liet hij zien dat hij ook op permanente circuits kon winnen. Hij won onder andere de races op Assen en versloeg daarbij toekomstige Grand Prix sterren als Wayne Gardner en Kevin Schwantz.

Schipbreuk
Op 26 mei 1985 voer het schip de Tornamona van Portaferry, Noord-Ierland naar Peel op het eiland Man, het was pikdonker. Aan boord: 7 motorfietsen en 12 man, één daarvan was Joey Dunlop.

Het was eb. De route van Portaferry naar de open zee was bezaaid met rotsen die bij hoog water geen probleem vormden. Bij laag water moest je echter opletten. En in het donker gecombineerd met harde wind was de passage domweg risicovol.

Joey lag te slapen in het ruim. Hij voelde de golven tegen het schip dreunen maar één dreun was harder dan de andere. Met een ruk werd hij wakker, hij wist dat het mis was.

De Tornamona was op de rotsen gelopen en het roer was afgebroken, daarna was het schip op drift geraakt en nogmaals op de rotsen gelopen waarop de romp opengescheurd was. Het schip was zinkende.

“Drie man konden niet zwemmen en we moesten iets doen. Ik heb alle jerrycans die we hadden geleegd en aan iedereen uitgedeeld. We hielden ons in wilde zee vast aan lege jerrycans totdat de reddingsboot kwam opdagen.

Zevendertig minuten na het eerste SOS kreeg de reddingsboot de Tornamona in zicht. Alle opvarenden konden worden gered. Volgens getuigen was het Joey Dunlop die in een hachelijke situatie zijn hoofd koel wist te houden en daardoor iedereen veilig aan boord van de reddingsboot wist te krijgen. Zelf wilde hij er niets over zeggen.

De motoren werden later die week uit het water gevist en konden gereviseerd worden. En Joey zou 3 races winnen tijdens de TT….

Afdalen richting Douglas

Crash…..en terugkeren
Eind jaren ’80 stond de teller wat betreft TT overwinningen op 13 en stond Dunlop op het punt om het record van Mike Hailwood te evenaren. Maar op een ‘not-so-Good-Friday’ in maart 1989 was Joey betrokken bij een zware crash op Brands Hatch, waarbij hij diverse botten zou breken.

Het betekende een streep door de deelname van de TT van dat jaar. Hij liet zich wel rondrijden achterop de motor van zijn teambaas Bob McMillan. McMillan en het publiek genoten. Joey niet, hij zei slechts drie worden: “Dit nooit meer!”

Velen dachten dat Dunlop zou stoppen, vooral toen Joey met moeite een paar races reed na de zomer van 1989. In de Ulster Grand Prix moest hij naar eigen zeggen “haast maken om niet op een ronde gezet te worden”. En: “ik was duidelijk een lachertje geworden. Niemand geloofde meer in me.”

Maar een jaar later, opnieuw in Ulster, werd er niet meer gelachen. Joey Dunlop won daar, een jaar na z’n grote vernedering de laatste Formula 1 TT race ooit en versloeg in een rechtstreeks duel zijn broer Robert die inmiddels ook een grote carrière in roadracing had opgebouwd.

Joey Dunlop was een bescheiden, stille en verlegen man die nooit heel uitbundig was. Maar ditmaal ging zijn vuist in de lucht en liet hij zichzelf helemaal gaan. “Niemand geloofde dat ik terug kon komen, maar ik kon het toch! Ik was al meer dan 20 jaar bezig en ik kon nog altijd winnen! Ik was zo blij die dag!”

En Robert: “op papier was mijn Norton sneller dan zijn Honda. Maar toch wist hij met zijn vloeiende stijl sneller uit de bochten te komen waardoor ik minder profijt had van mijn snelheid op de rechte stukken. Joey was gewoon ongelofelijk die dag!”

De 14e
Het ongeluk op Brands Hatch had voor vertraging gezorgd, maar nu de vorm terug kwam was het evenaren en breken van het record van Mike Hailwood weer een serieus doel geworden. Bovendien was de TT het jaarlijkse hoogtepunt voor Dunlop geworden. Het Formule 1 TT wereldkampioenschap was geannuleerd nadat de Superbike klasse in het leven was geroepen. Zeker, hij zou ook diverse andere wedstrijden rijden, zelfs op permanente circuits, maar de TT was het hoofddoel waarvoor andere wedstrijden slecht opwarmertjes en zoethoudertjes waren.

Als hij die 14e overwinning wilde halen moest het toch gebeuren op de kleine motoren. Op de zwaardere 750cc superbikes of de Supersport 600 kon hij wel uit de voeten in de kortere races maar de TT was met 6 rondes, oftewel zo’n 2 uur racen, te lang. Hij had nog veel last van zijn blessures die hij in 1989 had opgelopen.

In 1992 werd er met grote spanning gekeken naar de 125cc TT: Joey Dunlop had in de trainingen al laten zien dat hij snel was maar elke dag was er wel een defect te melden. Verder stond alleen zijn broer Robert hem in de weg. Die had de laatste 3 jaar de 125cc gewonnen…

De race was zoals altijd op Man Snaefell Mountain Circuit een tijdrit waarin de deelnemers één voor één startten. Pas als iedereen over de finish is gekomen kun je met zekerheid vaststellen wie de winnaar is.

De race ging over 4 ronden, 4 ronden waarin de top 2 de hele tijd enkel-en-alleen werd bevolkt door de familie Dunlop. De eerste ronde was de voorsprong voor Joey 3,6 seconden, na de 2e ronde was de voorsprong nog 0,2 seconde en hadden beide Dunlop’s het ronderecord gebroken. In de 3e ronde brak Joey opnieuw het ronderecord maar Robert volgde nog altijd op minder dan een seconde.

De 4e en laatste ronde liep. Robert was eerder gestart en zou dus eerder over de lijn komen. En daar kon hij alleen maar wachten….

De start-finishlijn van de TT ligt altijd op de Glencrutchery Road in Douglas. Deze weg loopt over een klein heuveltje. Door dat heuveltje kan je de deelnemers op start-finish niet direct zien aankomen. Daar kwam een streepje geel dat boven het heuveltje uitgroeiende tot de beroemde gele helm met de zwarte streep. Het publiek juichte en zwaaide met alles wat ze konden grijpen, programmabladen, vlaggen, wat dan ook, toen de rest van Joey Dunlop zichtbaar werd.

Robert wist het al. Hier werd geschiedenis geschreven. Joey vloog onder de geblokte vlag door, hij was 8,4 seconden sneller, na 260 km…. “Misschien pakt hij nu definitief zijn spullen om ons ook eens een kans te geven” grapte Robert.

Ballaugh Bridge

Spullen pakken?
Joey zou de rest van de jaren ’90 veel spullen pakken maar niet de spullen waar Robert op doelde. Op een dag kwam er een man in de pub die Joey had gekocht als investering voor de toekomst. Hij had een postpakket onder de arm. “Dat is een grote doos. Wat zit erin?”. ‘Dit is een hulppakket voor weeskinderen in Roemenië. Mijn dochter werkt daar maar de situatie is erbarmelijk. Er is geen eten, geen voedsel, geen dekens. Ze heeft ons gevraagd om spullen te sturen.”

Joey had inmiddels 5 kinderen, was een echte familieman. En waarschijnlijk voelde hij de pijn bij het zien van de beelden uit Oost-Europa. Hij vond dat hij wat moest doen, maakte zijn bus leeg, leegde de aanhanger en ging op weg. Hij ging langs bedrijven, langs particulieren, langs kerken, langs alle overheidsinstellingen. Hij schreef politici aan, hij zocht op rommelmarkten en zo langzamerhand werd de bus en aanhanger gevuld met houdbaar voedsel, met kleding, met dekens, lakens, meubilair, bedden, met speelgoed, met medicijnen. Zijn doel: met de hele vracht naar Roemenië, naar het weeshuis van de dochter van de klant die bij hem aan de bar kwam. De pers mocht er geen lucht van krijgen. Geen publiciteit, het draaide om de kinderen, niet om hem.

Een dominee van een naburige kerk hielp hem met paspoort en visa en al het ander papierwerk terwijl de wagen werd volgeladen. Zodra de wagen vol was en al het papierwerk was gedaan ging hij op weg, alleen. Dunlop was graag op zichzelf, praatte nooit veel, was verlegen. “Bovendien voelde hij zich zo verantwoordelijk voor de goederen dat hij ze zelf wilde bezorgen. Hij wilde zich niet laten afleiden, wilde de volledige verantwoording.” aldus zijn vrouw Linda.

Een van de weinige foto’s van de 5 expedities die Joey begin jaren ’90 ondernam

Dunlop deed zijn eerste trip in 1992, er zouden er nog 4 volgen. Het was een trip van ruim 6000 kilometer en hij deed er 3 weken over, door enkele van de gevaarlijkste landen van Europa. Corruptie, roversbendes, slechte wegen, extreme kou. Joey hobbelde over en om alles heen en tussen alles door. Maar wat hij zag, aangekomen in Ungureni, waar Siobhan Carter, de dochter van zijn klant, werkte, schokte hem nog het meeste. Kinderen, aan hun lot overgelaten in weeshuizen, zonder voedsel, zonder kleding, zonder wat dan ook. Verpleegsters die hun best deden maar het zonder hulp ook niet konden bolwerken. En dan ook nog het gevaar dat de hulpgoederen gestolen konden worden door corrupte overheidsdienaren of zwarthandelaren. In de nacht laadde Joey in het geniep de goederen uit en bracht ze onder in de huisjes van de verpleegsters. Daar stond het nog redelijk veilig.

Carter: “Joey bracht niet alleen spullen, hij bracht hoop. Voordat hij aankwam waren wij, de medewerkers, down. Het leek erop dat niemand het meer kon schelen wat er hier gebeurde. Maar dan komt er iemand met voorraden die hij zelf bij elkaar heeft geschraapt, door weer en wind, in moeilijke omstandigheden, die hij hier naartoe heeft gebracht. Dat duidelijk was dat iemand ons wel de moeite waard vond. Hulpverleners kunnen in allerlei gedaantes voorkomen met allerlei verschillende intenties. Maar ik denk dat de intenties van Joey de meest oprechte waren”

Na drie weken was Joey weer terug in Noord-Ierland. Maar hij was nog niet klaar. Hij zou elk jaar in de winter weer een dergelijke trip doen, maar hij wilde er geen enkele publiciteit over zien, geen TV, geen kranten, niets. Een lokale krant had ‘m een camera meegegeven om een beeldverhaal te maken. De camera kwam echter leeg terug met het commentaar: “Dit gaat niet over mij.”

Joey Dunlop was al een Member of the British Empire (MBE) voor zijn prestaties op de motor. Maar ondanks dat hij zijn best deed om zijn liefdadigheidswerk uit de publiciteit te houden kreeg Buckingham Palace er lucht van en benoemde hem in de Order of the British Empire (OBE). Het was de enige onderscheiding die hij voor zijn goede werk accepteerde. “Hij vond het mooi en waardeerde het want hij hield van zijn land en van de koningin, maar hij was niet echt onder de indruk van zichzelf” aldus John Harris, zijn teambaas in de laatste jaren van zijn carrière.

2000
In de jaren na 1992 leek Dunlop een 2e jeugd te beleven en won hij weer regelmatig een TT race naast diverse andere races in Ierland, Finland en de Baltische staten. In het jaar 2000 stond de teller inmiddels op 23 TT overwinningen.

Het zag er echter niet zo goed uit. De motor voor de Formule 1 TT was te langzaam. In the NorthWest 200 was hij notabene met de zwarte vlag naar de kant gehaald, te langzaam! De TT stond voor de deur en er moest iets gebeuren. Bob McMillan, van Honda UK, besloot met zijn bazen in Japan te praten. Hij vond dat Joey beter verdiende.

De TT van 2000 was nat. Het leek Joey niet te deren

Nobuhiko Kawamoto, president van de Honda Racing Corporation, was een groot TT-fan en besloot Dunlop motoren en reserveonderdelen van Aaron Slight, toen een grote ster in het WK superbikes, te geven. Op z’n 48e was Joey Dunlop ineens weer fabriekscoureur!

Honda leverde ook een aantal monteurs die vreemd opkeken toen bleek dat ze moesten werken voor een rijder met een volle bos grijs haar, die een spijkerbroek en een T-shirt vol met olievlekken droeg. Maar verwondering zou snel omslaan in bewondering….

De extra ondersteuning bracht extra druk mee maar Joey Dunlop leek er niet mee te zitten. Hij leek zelfs heel ontspannen, zodanig dat de geruchten rondgingen dat het zijn laatste jaar zou zijn. “Ik belde een paar weken voor de TT met ‘m en hij zei dat dit normalerwijze z’n laatste jaar zou moeten zijn” zei McMillan, “maar wat is normalerwijze bij Joey?”

Het was zaterdag 3 juni. Joey Dunlop startte in de Formule 1 TT, de race die hij in 1988 voor de laatste keer had gewonnen. De trainingen waren niet bijzonder goed verlopen maar Dunlop liet zelden in de trainingen zien waartoe hij in staat was. Favoriet Michael Rutter zag ‘m niet als kanshebber.

“Maar op racedag was het nat en daar komt hij me voorbij vliegen, op slicks, alsof het kurkdroog was!”

De eerste ronde was voor Joey, maar Rutter lag slechts 0,2 seconden achter met John McGuinnes en David Jefferies er vlak achter. In de tweede ronde verloor Rutter zijn zelfvertrouwen na een paar near-misses op de natte plekken van het circuit. McGuinnes viel terug en zo werd het een rechtstreeks duel tussen Jefferies en Dunlop. In de 4e ronde nam Jefferies de leiding over nadat hij het ronderecord had verbeterd. Maar door een betere pitstop nam Joey de leiding weer over.

Op weg naar de 24e winst

In de 5e ronde was het duel plotseling over. Jefferies had de koppeling gemold….

Met anderhalve ronde, zo’n 90 kilometer, te gaan zat er een sprookjesachtige finish aan te komen. Als Joey erop bleef zitten zou hij weer winnen, op z’n 48e! Het hele eiland juichte hem toe, hij werd zelfs aangevuurd door rivaliserende teams.

Enkele jaren later, in 2003, vroeg Bob McMillan aan de toen al gepensioneerde Kawamoto wat hij de meest indrukwekkende race vond die hij had gezien. “De man had gewerkt met Hailwood, met Spencer, Gardner, Lawson, Doohan en Rossi maar hij antwoordde ‘Bob-san, Joey Dunlop, 2000 TT’”.

Toen Joey Dunlop op die derde juni over de finish ging leek het hele eiland Man als één man/vrouw te juichen. De man van Ballymoney, Noord-Ierland, die ter wereld kwam in een huis zonder elektriciteit en stromend water, had het weer gedaan, op z’n 48e. Hij won de TT Formule 1, de zwaarste klasse, en liet alle jonkies zien hoe het moest, 25 jaar nadat hij voor het eerst een TT-race startte.

Joey was zeer gelukkig en liet dat ook merken: “ja, wat denken ze nu over de oude grijze man?”. Hij gaf zelfs een speech, terwijl hij daar een hartgrondige hekel aan had.

Maar Joey was nog niet klaar: de 250 cc volgde 2 dagen later: en hij won….

En weer 2 dagen later: de 125cc. En hij won…

Joey Dunlop was 48 jaar, en hij had 26 keer de TT gewonnen….

Na de TT werd Joey Dunlop uitgebreid geëerd in Ballymoney, hoewel hij een hekel had aan dergelijke plichtplegingen liet hij het gewillig over zich heen komen. Tijdens het gebeuren had hij ook gesprekken met McMillan, waar het woord stoppen vaak voorkwam.

Die gesprekken gingen later die avond en nacht door in Joey’s pub, maar ze kwamen niet tot een beslissing. Daarbij had McMillan diezelfde dag een slecht bericht gekregen: Andy McMenemy, Joey’s jarenlange sponsor had zelfmoord gepleegd.

“Ik kon het Joey die dag niet vertellen, en ook die avond niet. Maar toen ik het de volgende ochtend vertelde was hij helemaal van de kaart”

Joey nam een vergaand besluit. Hij zou eigenlijk een race rijden in Skerries, Ierland maar in plaats daarvan besloot hij weg te gaan, naar Estland….

Estland
Joey Dunlop kwam al een paar jaar op het Pirita-Kose-Kloostrimetsa circuit bij Tallinn in Estland. Hij genoot er altijd van de ongedwongen sfeer. Werken aan je motor vanuit de achterportieren van je bus, gewoon in de openlucht, terwijl de fans een praatje met je konden maken.

Het circuit was ongepolijst. De wegen werden afgesloten, hier en daar werd een lichtmast afgedekt met strobalen maar dat was het dan ook. Een deel van het circuit ging door een bos, met veel onbeschermde stammen.

Dunlop was alleen naar Tallinn gereden met 3 motoren. Daar aangekomen besloot hij John Harris te bellen, de eigenaar van één van de motoren en iemand die je de teambaas van Dunlop zou kunnen noemen.

Harris was lichtelijk ongerust over Dunlops gemoedstoestand als gevolg van McMenemy’s dood. In Tallinn trof hij echter een goed gemutste Joey. “Hij had er duidelijk zin in want eerst liet hij me ophalen door een agent die beweerde dat hij in de cel zat vanwege dronkenschap en dat er wat geld nodig was om ‘m uit de cel te halen.” Maar bij het politiebureau trof hij een Joey Dunlop met een grijns van oor tot oor.

“Dat hele weekend had Joey het alleen maar over de race, hij maakte zich nergens druk over. Niet over McMenemy, niet over de baan, niet over de bomen langs de baan. Zijn enige zorg was een goede nachtrust. Er waren nogal wat luidruchtige Finnen in de buurt.”

Joey hoefde zich ook nergens druk over te maken. Hij won de Supersport 600 race op zaterdag en de Superbike race op zondag. De laatste race die hij zou rijden was de 125cc, op de McMenemy 125cc…..

Het was gaan regenen. Wel of geen regenbanden, de bandenkeuze was een gok. Joey besloot voor een regenband te steken, achter een intermediate.

Joey ging vol vertrouwen de race in en pakte de koppositie. Maar op het 6,5 kilometer lange circuit begon het opeens heftig te regenen. In de laatste bocht kwam veel water te staan. Aan het einde van de 2e ronde kwam Joey Dunlop als eerste in de getroffen bocht aan en zag zich geconfronteerd met een enorme plas…..

Op het rechte stuk werd er met de rode vlag gezwaaid. Rijders kwamen naar de pits om andere banden te halen, er was een hoop beweging, er werd geschreeuwd en er werd vooral veel gekeken richting de laatste bocht. John Harris zag Joey niet meer langskomen….

“Ik vroeg aan de wedstrijdleider of hij wist wat er met Dunlop was gebeurd. Ik kreeg als antwoord dat hij een ongeluk had gehad en dat ik er maar even heen moest gaan.” Ik liep er heen en verwachtte ‘m rustig ergens langs de baan te zien zitten. Maar in de laatste bocht stond een grote groep mensen, en daar lag hij….”

Joey Dunlop had ruim 30 jaar aan motorraces gedaan, veelal op levensgevaarlijke roadcircuits. Zijn zwaarste verwonding had hij echter notabene opgelopen op een ‘veilig’ permanent circuit. Maar nu in Tallinn was een fout hem fataal geworden.

Joey Dunlop had de laatste bocht genomen zoals hij gewend was te doen. Er lag echter meer water op de baan dan de ronde ervoor en de grip was weg. Dunlop vloog van de baan en raakte hard een boom. Harris zag dat er geen redden meer aan was.

Op dat moment was op Silverstone de 6e race voor het Britse Superbike kampioenschap gaande. Wie er won was daar al gauw onbelangrijk. Diverse mensen die met Joey hadden gewerkt of tegen hem hadden gereden hoorden met ongeloof en ontzetting het nieuws uit de speakers aan. “uitgerekend hij?”

John Harris had de verschrikkelijke taak om Linda in te lichten, zorg te dragen voor het lichaam, de repatriëring te verzorgen. “In een land waarvan ik de taal niet sprak en waar ook nauwelijks Engels werd gesproken. Bovendien moest ik het alleen doen want team Dunlop bestond in Tallinn alleen uit Joey en mij.”

Harris kreeg hulp van Bob McMillan, bij wie het nieuws eerst niet helemaal doordrong. “Een collega belde me op met de mededeling ‘Slecht nieuws Bob, Joey is dood, Estland’. Het drong niet door, vroeg nog naar de resultaten op Silverstone en hing op. Ik liep de tuin in en vertelde het mijn vrouw. Toen ik het hardop uitsprak kwam het binnen en brak ik.

“Ik belde Linda en vroeg wat ik kon doen. Ze vroeg me om ‘m op te halen, en dus ging ik naar Estland waar ik samen met John alles regelde.”

Terug in Ballymoney
Op woensdag vlogen Harris en McMillan met Joey Dunlop naar Dublin. Heel Ierland, zowel Noord als Zuid had er inmiddels over gehoord. Harris: “Ik, de begrafenisondernemer en Joey Dunlop. We vertrokken om 7 uur ’s avonds vanaf het vliegveld. We werden begeleid door zo’n beetje alle motorrijders van Ierland. De straten waren omzoomd met mensen, alle rotondes stonden vol.”

Juli in Noord-Ierland was altijd de tijd van veel oranjemarsen met alle bijbehorende ellende. Maar nu waren alle marsen opgeschort en stonden katholieken en protestanten, republikeinen en loyalisten zij aan zij, uit eerbied voor Ballymoney’s favorite son, die zich trouwens nooit had uitgelaten over de troubles en nooit een zijde had gekozen in dat conflict.

Pas om 3 uur ’s nachts kwam Joey Dunlop voor de laatste keer thuis, bij zijn eigen pub, die inmiddels een openbaar altaar was geworden.

Op vrijdag 7 juli 2000 werd Joey Dunlop begraven. De familie had 3.000 mensen verwacht, het werden er minstens 50.000…

Onder de aanwezigen waren concurrenten, collega’s en vrienden. Er waren politici van alle politieke kleuren, er waren beroemdheden. Bob McMillan: “Minstens 50.000 mensen, voor een gewone man die gewoon leefde en met zwarte nagels aan z’n motoren werkte in een schuurtje, in een busje of op een open veld. Ongelofelijk”

Er waren fans aanwezig, uit Ierland, maar ook uit Engeland, uit Japan, Canada, Zuid-Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland. Raido Rüütel, de wedstrijdleider uit Tallinn was er ook bij. “De mensen van Estland zullen hem missen, de Ieren zullen hem missen, de wereld zal hem missen.”

Dochter Donna besloot de toespraken: “voor de wereld was je de nummer 1, voor mij was je een vader!”

Na de eredienst werd Joey Dunlop naar zijn laatste rustplaats gedragen. Wie er begon weet niemand meer maar 1 persoon begon te klappen en al snel klapte iedereen, een applaus wat minutenlang aanhield.

Aan het einde van de ceremonie werd Joey Dunlop begraven in besloten kring

Nagalm
Linda Dunlop runt nog altijd Joey’s pub. De pub is een verzamelplaats geworden voor vele motorrijders en vormt een soort van museum over de familie Dunlop zonder dat het een museum is.

Desgevraagd verdedigt ze de wegracerij: “Je kan nu kwaad zijn, maar kan je ook kwaad zijn over de 30 jaar die Joey’s carrière vormde? “ En inderdaad, roadracing had Joey Dunlop dan het leven gekost maar het had ‘m ook een betekenis gegeven voor meer dan 30 jaar.

David Jefferies, Joey’s laatste tegenstander in de TT, leek zijn opvolger te worden maar liet het leven na een zwaar ongeluk tijdens de TT van 2003

Robert Dunlop zou door blijven racen, zijn zonen William en Michael traden in zijn voetsporen. In 2008 deden ze alle drie mee aan de NorthWest 200. Tijdens de trainingen verloor de motor van Robert olie. Omdat hij vreesde dat de motor zou vastlopen wilde hij de koppeling intrekken om de motor rustig te laten uitrollen. Hij vergiste zich echter, trok aan de rem in plaats van de koppeling en sloeg hij over de kop. Op de baan liggend werd hij nog een keer aangereden. Zoon Michael was bij hem terwijl hij stierf.

William en Michael mochten niet meedoen aan de race. Maar beiden waren vastbesloten deel te nemen. Toen ze aan de start verschenen had de organisatie geen zin in een scene en liet ze begaan. William viel uit, maar Michael won de race. Het was z’n eerste overwinning, een heel emotionele victorie.

Robert werd een paar dagen later naast z’n broer begraven.

In 2010 won Paul Robinson, de zoon van Mervyn Robinson, de 125cc klasse tijdens de NorthWest 200, 30 jaar na de dood van zijn vader. Na de race legde hij de erekrans op het graf van zijn vader.

In 2014 maakte Liam Neeson de documentaire Road, een ode aan roadracing en de familie Dunlop.

In 2018 sloeg het noodlot opnieuw toe. Tijdens de trainingen voor de race in Skerries verongelukte William. Hij werd bijgezet naast zijn vader en oom.

Alleen Michael Dunlop is nog over. Zijn carriére duurt nog altijd voort. Wat betreft het aantal TT overwinningen staat de teller voor hem na de TT van 2023 op 25…..

Joey Dunlop, Bungalow, Isle of Man Mountain track

Bronvermelding:
Stuart Barker 2021; Joey Dunlop, the definitive biography of the greatest road racer
The Armoy Road Races. Armoy Armada | Armoy Road Races (amrrc.com)

Jacco Den Hollander
Author: Jacco Den Hollander

Indyoot

Geef een reactie