Een paar jaar geleden reed Indycar een wedstrijd op New Orleans. De omstandigheden waren veelbelovend. Een baan die vele mogelijkheden bood en die voor het publiek in z’n geheel te bekijken was vanaf de eigen zitplek. Het lekkere weer van het diepe zuiden in april. Een mooie race in het begin van het seizoen, waarin verrassingen mogelijk zijn.

Maar het werd helemaal niks: het lekkere weer bleek te bestaan uit aanhoudende tropische regenbuien waardoor de kwalificatie moest worden afgelast. De baan werd een modderige puinhoop en omdat het weer tijdens de race niet verbeterde werd het leeuwendeel onder de gele vlag afgewerkt. James Hinchcliffe reed bij het zwaaien van de geblokte vlag toevallig vooraan en dus was hij de winnaar. Het publiek kon het gelukkig in z’n geheel volgen vanaf de zitplek. Behalve dan dat er bijna niemand was als gevolg van het eerder genoemde slechte weer.

Toen de promotor en Indycar vervolgens ook nog ruzie kregen werd al snel duidelijk dat de New Orleans Grand Prix voorlopig de eerste en de laatste zou zijn. Een One ’n Done, één keer en niet meer,  zoals journalist Robin Miller het treffend wist te beschrijven.

Met het oog op de nieuwe races die er dit jaar op de kalender zijn verschenen moest ik daaraan denken. Die ene nieuwe race, de Grand Prix van Nederland, is natuurlijk niet echt nieuw ook al moeten we ver terug naar de laatste uitgave, die van 1985.

Maar die andere race, de Vietnamese Grand Prix, is wel helemaal nieuw. Sterker nog, het is de eerste race van enige betekenis in het land in Zuid Oost Azië waar voor zover ik het weet nog nooit een autorace is gehouden. Wellicht is er in de koloniale (Franse) tijd nog wat aan autoraces gedaan maar sinds de val van Dien Bien Phu zijn er eigenlijk alleen maar achtervolgingen geweest met tanks en pantservoertuigen.

Over de Nederlandse en de Vietnamese Grand Prix later meer op deze site onder de kop circuits. Even terug naar mijn gedachtegang. Elke nieuwe Grand Prix in het wereldkampioenschap is veelbelovend en iedereen is benieuwd naar de nieuwe race. Maar soms kan het tegenvallen en verdwijnt een race al snel weer van het toneel. En in een aantal gevallen bleef het bij die ene race: de One ’n done.

In een enkel geval kan je niet echt spreken van een one ’n done. In 1957 had de FIA een probleem omdat ze te weinig landelijke automobielclubs bereid had gevonden een Grand Prix te organiseren. Daarom deed men snel een deal met de organisatoren van de jaarlijkse Pescara Grand Prix, een prestigieuze race aan de Adriatische kust en zodoende telde Pescara eenmalig mee voor het WK. Maar een echte one’n done was het niet omdat de Pescara Grand Prix al jaren werd gehouden. De race werd al voor de oorlog gereden en zou tot 1961 blijven bestaan. Daarna werd het 60 km lange stratencircuit gesloten voor racewagens.

Pescara Grand prix, 1957

Een echte one ’n done was de Grand Prix van Marokko in 1958. Het bleef de enige voor het wereldkampioenschap meetellende race op het stratencircuit van Ain Diab en de enige Grand Prix van Marokko in de geschiedenis. Het was de tweede en laatste race op dit circuit. Moss won, Stuart Lewis –Evans, die reed voor het team van ene B. Ecclestone liet er het leven. Of dat de reden was dat de race van het toneel verdween werd nooit duidelijk. Wellicht had de zwakke economie van de nog jonge staat Marokko er mee te maken.

Eind jaren ’50 doken er meer races op die niet een lang leven beschoren waren, soms om politieke redenen. De Duitse Grand Prix op de Avusbaan in 1959 bijvoorbeeld. De spanningen tussen oost en west waren al aardig aan het oplopen en in Berlijn, toen nog zonder muur, was dat aardig te merken. Het organiseren van de Grand Prix was dan ook een actie om de West Berlijners een hart onder de riem te steken en tegelijkertijd de Russen te laten zien dat  het leven in het Westen gewoon doorging. Jean Behra liet het leven als gevolg van een crash op de steile wand in de sportwagenrace voorafgaand aan de Grand Prix. Wellicht de reden om het maar bij die ene keer te laten.

Maar het kon ook simpelweg liggen aan onderschatting of slecht marktonderzoek. Alec Ullman dacht in Sebring de plek te hebben gevonden voor een echte Amerikaanse Grand Prix. De Indy 500 was tenslotte een evenement van een totaal andere orde die niet te vergelijken was met de Europese Grand Prix.

Sebring, niet voor 12 uur maar voor 3 uur

Sebring trok enorm veel volk voor de jaarlijkse 12 uur in maart, dat moest toch ook lukken met een Grand Prix? Maar Sebring ligt in the middle of nowhere dus voor een Grand Prix van 3 uur lang ga je niet dat hele eind rijden. Dat doe je wel voor de 12 uur want daarmee ben je de hele dag zoet. En zo bleef het publiek weg en wist Ullman dat hij mis zat met Sebring.

Ezels stoten zich zelden tweemaal aan dezelfde steen maar Ullman deed dat wel. In 1959 deed hij nog een poging met de Amerikaanse Grand Prix, ditmaal op Riverside, op slechts 40 mijl van Los Angeles. Het was net als in Sebring de laatste race van het seizoen dus als dat geen publiek oplevert…

Wederom had Ullman slecht onderzoek gepleegd. Omdat de LA Times Sportscar Grand Prix op Riverside een uitverkocht huis had opgeleverd ging hij er vanuit dat de Grand Prix Formule 1 ook wel veel bekijks zou trekken. Hij had echter buiten het feit gerekend dat de Sportscar Grand Prix hevig werd gepromoot door sponsor de LA Times, de meest gelezen krant in de wijde omgeving. Promotie van de Formule 1 kon ook maar dan moest Ullman er wel grif voor betalen.

Riverside, beperkt gras, ook een beperkte hoeveelheid publiek

Daarbij was het publiek redelijk verzadigd met de LA Times Grand Prix. Dat Jack Brabham een maand eerder de titelstrijd al had beslist hielp ook al niet.

En zo had Ullman 2 one ’n dones op z’n naam. Maar eerlijk is eerlijk, en drie keer is scheepsrecht, daarna trok hij naar Watkins Glen en dat werd een klassieker.

In 1964 werd voor de eerste keer een Grand Prix van Oostenrijk georganiseerd en het leek er aanvankelijk op dat het ook meteen de laatste was. De betonplaten op het vliegveld van Zeltweg rammelden menig Formule 1 wagen uit elkaar en het was een eens-en-nooit-weer gebeuren. De Oostenrijkers namen even de tijd voor de evaluatie maar dat deden ze dan ook meteen erg goed. In 1969 waren ze klaar en werd de Ö-Ring geopend. Vanaf 1970 was de Oostenrijkse Grand Prix terug en ook dit werd een klassieker. De Red Bull Ring is in feite hetzelfde circuit, alleen dan in verkorte versie. Van een echte one ’n done kan je hier dan ook niet spreken.

In de moderne tijden leken de one ’n dones verdwenen te zijn. In 1984 was Dallas nog een eenmalig gebeuren en in 1993 was er nog de Grand Prix van Donington Park.

Dallas was een race die eigenlijk alles in zich had om te slagen: een aansprekende locatie, een groot publiek, goede promotie en vele celebrities om het evenement nog meer in de spotlights te zetten: Sue Ellen en JR Ewing waren er ook bij. Alleen de baan was niet zo best, die was bochtig, onoverzichtelijk, nauw maar het grootste probleem was dat het asfalt uit elkaar brak. Maar de grootste fout was dat de race begin juli werd gehouden, dat was de organisatie door de strot geduwd door de FIA.

Weet je gelijk waarom de Grand Prix op COTA in oktober wordt gehouden…

De race werd gewonnen door Keke Rosberg. Hij wist als een van de weinigen het hoofd koel te houden. Letterlijk, want hij had van een NASCAR coureur een muts met een koelingssysteem geleend. Verder vielen er van de 26 starters 18 uit, waarvan 14 door een onzachte ontmoeting met de muur. Piercarlo Ghinzani liet tijdens een pitstop een emmer water over zich heen storten. De wereld maakte voor het eerst kennis met de gemeende en minder gemeende fysieke ongemakken van Nigel Mansell.

Racen in Dallas: veel publiek, veel celebrities, vele graden fahrenheit

Senna was een van de 14 die de muur bezochten. Hij was woedend omdat hij er van overtuigd was dat hij de bocht precies op precies dezelfde wijze had genomen. “Die muur moet verplaatst zijn” aldus de Braziliaan. Later bleek de muur door een eerdere crash een paar millimeter verschoven te zijn…

Na de race begon het gebekvecht wie er schuld had aan het fiasco. Wat er ook uit kwam, de organisatie in Texas gaf aan dat de Formule 1 verder mocht zoeken naar een stekkie in de Verenigde Staten. Hoewel ze nog even kandidaat waren om na 1988 het stokje van Detroit over te nemen.

De laatste keer dat een circuit de bedenkelijke eer had voor de eerste en laatste keer het Grand Prix circus op bezoek te krijgen was in 1993 toen Donington Park gastheer was voor de Europese Grote Prijs. De baan etaleerde zichzelf als het hart van de Britse auto- en motorsport en dat was gezien de historie van Donington ook wel verdiend. Donington is namelijk een van de weinige echte wegcircuits in Groot Brittannië die niet is gebaseerd op een oud vliegveld.

In de jaren ’30 werd er al gereden en gewonnen door de Mercedessen en de Auto Unions  alvorens het terrein tijdens de tweede wereldoorlog werd geconfisqueerd door het Britse leger.

In de jaren ’70 besloot Tom Wheatcroft dat het tijd werd dat er op Donington weer werd gereden en dat hij de Formule 1 er naar toe zou brengen. En hij hield woord, alleen duurde het een beetje lang. Nationale races, Formule 3000, MotoGP, Groep C, Superbikes, dat was geen probleem. De Formule 1 teams testten er ook regelmatig en Nelson Piquet won er in 1979 de Gunnar Nilsson Memorial, waarbij het er om ging wie het snelste rondje wist te draaien ter ere van de aan kanker overleden Zweed.

Maar een echte Formule 1 race bleef buiten bereik. Begin 1990 maakte Wheatcroft bekend dat de Formule 1, voorafgaande aan het Europese seizoen, een niet voor het WK meetellende race zou rijden op zijn circuit. Het leek me al een beetje merkwaardig: F1 teams die klagen over tijd- en geldgebrek die ineens tijd en geld gaan vrijmaken voor een race om des-keizers-baard. En al snel bleek dat de teams dat geld en die tijd niet wilden investeren en zo was het al snel gedaan met het initiatief.

Drie jaar later had Wheatcroft echter wel beet want dit keer telde de race dus wel mee. En net als 3 jaar daarvoor was het aan het begin van het Europese seizoen. En dat betekent dus typisch Brits weer: regen, miezerbuitjes, oftewel een natte bende met een minimaal publiek. Veel te weinig voor Wheatcroft om uit de kosten te komen. En daarom bleef het bij die ene keer hoewel 15 jaar later Simon Gilett aangaf dat hij een Britse Grand Prix ging organiseren op Donington. Hij kocht de baan, ging verbouwen maar toen bleek al snel dat Gilett vooral voor een hoop praatjes en lege bankrekeningen stond. De Brit ging failliet en Donington lag er als een puinhoop bij.

De Wheatcrofts, zonder Tom, die was inmiddels overleden, kochten de baan terug en herstelden die in al zijn glorie. Maar de Formule 1 kwam niet meer terug.

Ondanks dat het maar bij één keer bleef zal elke Formule 1 kenner die ene Grand Prix van Donington Park hoog op zijn favorietenlijstje hebben staan. Want Ayrton Senna gaf die dag een absolute masterclass, liet zien hoe je om moet gaan met veranderlijke omstandigheden, dat je op slicks ook in lichte regen nog een heel eind komt. Behalve Damon Hill werd iedereen op een ronde gezet. Latere wereldkampioen Alain Prost was kansloos, supertalent Michael Schumacher verzoop. De rest was veldvulling.

Donington: one ‘n fabulously done

Na 1993 is er geen one ’n done meer geweest. Promotors van nieuwe races hadden hun zaakjes vaak goed voor elkaar en wisten meer dan 1 keer een Grand Prix te organiseren. Bovendien werd een Grand Prix sindsdien steeds vaker als een pakket voor een paar jaar aangeboden.

Niettemin zijn er sinds 1993 heel wat races gekomen en weer gegaan. Mede door de exorbitante bedragen die moeten worden neergeteld voor een Grand Prix is een Formule 1 race vaak verliesgevend voor de circuiteigenaren en promotors. De organisatoren van de Pacific Grand Prix, de Grand Prix van Zuid Korea, Argentinië en die van India gaven er na 1 contract alweer de brui aan. Een one ’n done werd zodoende een one contract ‘n done.

Maar goed, dat bekt niet zo lekker….

Similar Posts: