Het was een veelgehoorde klacht die vooral in de jaren ’90 en het begin van deze eeuw rondwaarde in Indianapolis: “Why are those damn furriners winning our Great Murican race?”

Sinds 2010 hoor je het minder. Wellicht hebben de Muricans de damn furriners in de harten gesloten. Dat was in elk geval wel zo met Dan Wheldon, Dario Franchitti en met name in het geval van Tony Kanaan, want toen hij won in 2013 was dat waarschijnlijk tot in Chicago te horen.

Tot ver in de 80er jaren was de Indy 500 het exclusieve jachtterrein van de Amerikanen, op een paar periodes na.

In het prille begin, nog voor de Eerste Wereldoorlog, werd de race gewonnen door de Fransen Jules Goux en Rene Thomas, respectievelijk met Peugeot en DeLage. Het lichte materiaal uit Europa deed het beter dan de zware Amerikaanse wagens. Tijdens en na de oorlog werd er ook gewonnen met Europese wagens, door Ralph de Palma en Dario Resta.

Jules Goux voor de start van de Indy 500 van 1913

Maar daarna werd het stil wat betreft buitenlandse deelname: Louis Chiron en Rene Dreyfuss kwamen in de jaren ’30 over om mee te doen en Maserati gaf Wilbur Shaw een wagen, de Boyle Special, om zijn 2e en 3e overwinning te behalen. In 1952 deed Alberto Ascari mee met een Ferrari Special, maar waarschijnlijk alleen omdat de race meetelde voor het wereldkampioenschap.

Er kwam in de zestiger jaren pas echt weer belangstelling van buiten de Verenigde Staten. De aanstichter daarvan was Jack Brabham, die in 1961 met een aangepaste Cooper een poging deed. De Cooper was maar een klein wagentje tussen de dikke Amerikaanse Roadsters. Bovendien zat de motor achterin, terwijl de traditie op Indy voorschreef dat je de motor voorin had. Er werd dan ook aardig de spot gedreven met Brabham.

Jack Brabham passeert een roadster

Ergens onterecht want Indy stond in die jaren in het teken van “Run what you brung”, oftewel rijden met wat je meegenomen hebt. Zo was er in de jaren ’50 al eens een 6-wieler geweest en reed er in 1960 al een wagen met stabilisatievleugels mee, lang voordat daarmee in de Formule 1 werd geëxperimenteerd.

Wellicht dat de Amerikanen graag innovatie zagen, zolang dat maar uit de Good ‘ol US of A kwam. Brabham werd 9e maar geen Amerikaan die er acht op sloeg. Op één na: Dan Gurney. Die belde met Chapman in Engeland en vertelde over de prestaties van Brabham en de Cooper, waarna Chapman ging denken aan overwinningskansen en vooral winstpremies. Want op Indy kreeg je voor die tijd kolossale bedragen als prijzengeld uitgekeerd, veel meer dan in Europa.

Begin van het einde? Lotus is gearriveerd

In 1963 stonden de eerste Lotussen aan de start, kleine wagens met de motor achterin, tussen de grote roadsters met de motor voorin. De Europese invasie was begonnen. De Amerikanen vonden het maar niks, those damn funny cars. Met wat kunst-en-vliegwerk werd Jim Clark van de overwinning gehouden door Parnelli Jones maar door te laten rijden terwijl de roadster van de Amerikaan de baan onder de olie sproeide. In 1964 werd met Foyt de laatste overwinning voor een roadster binnengehaald alvorens Clark in 1965 zijn beroemde overwinning mocht vieren. Foyt had de bui al zien hangen en had voor deze race al een Lotus gekocht, meer Amerikanen zouden volgen. In 1967 was Jim Hurtubise de laatste rijder die zich met een roadster wist te kwalificeren voor de race.

Volgens velen was de Europese invasie in de jaren ’60 het begin van het einde van de Amerikaanse hegemonie op Indianapolis, ook al zou de race van 1967 tot 1989 alleen maar door Amerikanen worden gewonnen. De gedachte was niet gek. De motor achterin betekende dat er een totaal andere rijstijl moest worden aangeleerd. Een rijstijl die je niet aangeleerd kreeg in de traditionele opstapklasses die elke Amerikaanse coureur doorliep die ambities had op Indy.

Indycar coureurs leerden het vak in de midget en de sprintcarraces die overal in de Verenigde Staten werden gehouden, op kleine ovals van soms niet meer dan een kwart mijl lang, zowel op verharde banen als op dirt tracks. Elke week waren er meerdere races, met voorrondes en finales. Een would-be-Indycar coureur reed zo 400 of meer races per jaar. Daar werd ook goed geld mee verdiend.

Sprintcar op de dirt oval van Duquoin in 1965

Sprints en midgets waren kleine lichtgewicht roadsters met een enorm vermogen. De motor zat voorin. Sturen werd niet zo zeer met het stuur gedaan als wel met het gaspedaal. De bochten werden driftend genomen. Een aantal sprintcarraces, zowel op dirttracks als op verharde ovals telden mee voor het Indycar kampioenschap.

Overal in de Verenigde Staten kon (en kan) je terecht om sprintcar- of midgetraces te rijden. Als je nu op Google Maps de kaart centreert op de Verenigde Staten en vervolgens het woord Speedway intikt, dan krijg je een kaart waarop spreekwoordelijk een schot hagel is afgevuurd.

En zo kreeg je met de motor achterin een Indycar kampioenschap met coureurs die voor een heel andere discipline geschoold waren. Dat ging in de jaren ’70 en ’80 nog wel goed. Vooral toen de Europese interesse in de jaren ’70 afzwakte. Het prijzengeld ging omhoog in de Formule 1 en daarmee had Chapman Indy niet meer nodig.

Maar dat er iets veranderde was wel duidelijk. De Unsers, Rutherford, Johncock, Foyt en Andretti wonnen nog diverse races maar in 1978 verscheen bijvoorbeeld Rick Mears op het toneel, en die had, behoudens enkele buggy races op Ascot Park in California, nog nooit een sprintcarrace gezien. Rick was afkomstig uit de off road racerij en had een race licentie behaald bij de Sportscar Club of America. Mears deed niet aan driften door de bochten, Rick reed juist heel zuiver en vloeiend, precies de stijl die hoorde bij een moderne Indycar maar het was het tegenovergestelde van wat een sprintcar van je vroeg.

Rick Mears heeft zojuist de Indy500 van 1988 gewonnen

Mears zou tussen 1979 en 1991 vier maal zegevieren op Indy, daartussen behaalden Danny Sullivan en Bobby Rahal ook de status van Indy 500 winnaar zonder ooit het stuur van een sprintcar of een midget te hebben aangeraakt. De coureurs met sprintcarroots begonnen uit te sterven.

Wat ook duidelijk werd was dat de moderne Indycar zeer goed paste bij de rijstijl die nodig was voor roadracing, een racetraditie die in de Verenigde Staten minder groot is dan in Europa. Ovals werden circuits met gewoon een paar linkerbochten. En zo begon de 2e Europese invasie. Wat daarbij ook niet hielp was dat de sprintcarraces uit het Indycarkampioenschap werden verwijderd en dat het aantal weg- en stratencircuits drastisch toenam. De teameigenaren hadden de sprint- en midget coureurs domweg niet meer nodig.

Naarmate de jaren ’80 vorderden werd het percentage niet-Amerikanen in het startveld van de Indy 500 steeds hoger. En in 1989 won Emerson Fittipaldi als eerste niet-Amerikaan sinds Graham Hill in 1966, de Indy 500, een jaar later gevolgd door Arie Luyendijk.

In 1994 was Al Unser jr de laatste winnaar die nog een sprintcarverleden had. Vanaf toen werd een Amerikaanse winnaar steeds zeldzamer: alleen Buddy Lazier, Eddie Cheever, Buddy Rice, Sam Hornish, Ryan Hunter Reay en Alex Rossi hebben sinds 1994 nog namens de Stars ’n Stripes gewonnen.

En al die sprint en midgetcoureurs? Die kregen een ander doel: NASCAR en de Daytona 500. Coureurs als Jeff Gordon, Jimmie Johnson en Tony Stewart zagen hun droom ooit de Indy 500 te winnen vervliegen maar financieel werden ze er wel veel wijzer van. Zelfs een plaats buiten de top 20 levert je op Daytona nog wel een paar miljoen op…

Sprintcar coureurs met NASCAR als nieuw jachtterrein: Gordon (24) en Johnson

De laatste tijd trekt het aantal Amerikaanse rijders die succesvol zijn in Indycar weer wat aan. Maar het zijn eigenlijk allemaal rijders die of een tijdje in Europa hebben gereden, of die in de Indy lights hebben gereden, of in IMSA actief waren.

Ed Carpenter, polewinnaar in 2018

Ed Carpenter is momenteel de enige rijder met een sprintcarverleden. Hij houdt het dan ook maar beperkt tot de ovals, overigens niet onverdienstelijk….

Geef een reactie