Williams

Opgericht door : Frank Williams en Patrick Head
Chassis: Williams FW42
Motor: Mercedes
Technisch manager: Paddy Lowe
Actief: 1969 – 1975, 1977 – heden
Teambazin: Claire Williams
Coureurs: George Russell (63), Robert Kubica (88)
Testrijder: Nicholas Latifi

Teamstamboom: Williams (1977 – heden)

Williams Grand Prix Engineering ltd begon ooit als een Pay-to-Play team en lijkt daar ook weer in te eindigen.
In de 40 jaar die er tussen toen en nu liggen is het prijskaartje voor een Williams speelgoedauto wel wat gestegen. Patrick Neve legde in 1977 een paar ton neer voor een gloednieuwe March die achteraf een oplappertje uit 1974 bleek te zijn. In 2017 legde pa Stroll zo’n 20 miljoen dollar neer voor het speelgoed van zoon Lance…. Laten we maar gauw een kijkje nemen naar de tussenliggende jaren want de uiteinden stemmen tot droefenis.

In 1977 waren Frank Williams en Patrick Head net opgestapt bij het team van Walter Wolf (die de restanten van het eerste team van Frank Williams had gekocht) om hun eigen team op te richten. Om in elk geval te kunnen starten werd dus bovenstaande deal gedaan met Patrick Neve. Het leverde 0 punten op. Maar de wagen, de oplapper uit 1974, bleek goud waard te zijn, bijna letterlijk. Want Frank Williams wist de hotelkamers te vinden van enkele rijke prinsen uit Saoedi Arabië die ook interesse hadden in techniek. Williams liet de March overspuiten in de kleuren van de Arabische bedrijven die de prinsen in bezit hadden en zette de wagen bij het hotel op de stoep.
De Arabieren waren meteen enthousiast, pakten een chequeboek en voor 1978 was Frank Williams onderweg. Head kreeg de middelen om een simpele doch doelmatige wagen te ontwikkelen en Williams kon Neve vervangen door een ervaren rijder in de figuur van Alan Jones. Daarbij was Jones een no-nonsense type die zeer in de smaak viel bij Head en Williams. 1978 was een leerjaar, in 1979 nam Williams een voorschot met 5 overwinningen en tussen 1980 en 1982 werd er geoogst met 2 constructeurstitels (‘81 en ‘82) en 2 rijderstitels: Jones in 1980 en Rosberg in 1982. Daarna volgde een kleine pauze tot Williams in 1985 weer een signaal afgaf: met een Honda motor werden 4 overwinningen behaald waarvan 3 in de laatste 3 races van het seizoen. In 1986 en ‘87 was Williams dominant, won 2 constructeurtitels en een rijderstitel met Piquet in 87. De rijderstitel van 1986 ging verloren omdat het team Piquet en Mansell vrij liet in het uitvechten van hun ruzies, Alain Prost werd de lachende derde.

In de tussentijd had Williams zichzelf bijna doodgereden in Zuid-Frankrijk, raakte van schouders tot tenen verlamd maar wist zichzelf vrij snel weer in staat te stellen om het team te leiden.

Honda zag het allemaal aan en besloot dat Williams hun team niet meer was en stapte over naar McLaren. Williams stond andermaal voor een overgangsperiode, deed een deal met Renault en ging ontwikkelen. In 1989 en 1990 werden er races gewonnen, maar in 1991 werd het serieus. Adrian Newey mocht zijn aerodynamica kennis loslaten op de wagens en Mansell, die een uitstap naar Ferrari had gemaakt, werd teruggehaald. Er werden 7 overwinningen gehaald en Mansell deed lang mee voor de wereldtitel. Alles wees erop dat er weer meer in het verschiet lag. En dat was dus ook zo. In 1992 was de Williams Renault zo goed dat zelfs Nigel Mansell er al in de zomer wereldkampioen mee kon worden, ondanks een paar verwoede pogingen van de Brit om de titel weg te gooien.
Iedereen wilde wel voor Williams rijden. Senna deed zelfs een voorstel om voor niets zijn rondjes te komen draaien. Maar Alain Prost bleek de slimste te zijn geweest. Die had een jaar eerder al aangevoeld dat Williams de juiste eindbestemming zou zijn, had eind ‘91 al getekend voor ‘93 en zijn veto uitgesproken over de komst van Senna. Mansell mocht best blijven want hij was een gemakkelijke kluif voor de Fransman. Maar Mansell wilde niet blijven toen Williams aankondigde zijn salaris te halveren. Want als Senna het voor niets wilde doen….
Van 1992 tot en met 1997, met uitzondering van 1995, ging er elk jaar wel 1 van de titels naar Williams, in ‘92, ‘93, ‘96 en ‘97 werd de dubbel binnengehaald.

Na de laatste titels in ‘97 concludeerde Renault dat ze als motorleverancier alleen nog maar kon verliezen. Er werd tenslotte alleen nog maar op de volle winst gerekend door het publiek. En zo kon Williams weer op zoek naar een andere leverancier. Adrian Newey was ook vertrokken en er ontstond weer een nieuwe periode van stagnatie, totdat in 2000 er een BMW achterin de Williams lag. Met Ralf Schumacher en Juan Pablo Montoya werd er een nieuwe poging gedaan om de wereldtitel te bemachtigen en in 2003 was de Colombiaan er dichtbij. Maar dichtbij is net niet helemaal en toen dit ook het hoogtepunt van de relatie tussen BMW en Williams bleek te zijn werd duidelijk dat we hier niet te maken hadden met een nieuwe bloeiperiode, eerder met een toegift op de voorgaande successen….

Frank Williams is een trotse teameigenaar: toen BMW uiteindelijk aangaf Williams te willen kopen om een BMW fabrieksteam te vormen weigerde Frank resoluut. BMW verliet daarop het team, kocht Sauber op en vormde een fabrieksteam met de Zwitserse ploeg. Het bleek achteraf niet een bijster succesvolle stap bleek te zijn, maar Williams werd er helaas ook niet veel beter van. Het team begon een omzwerving langs motorfabrikanten. Achtereenvolgens leverden Cosworth, Toyota, weer Cosworth en Renault de motoren alvorens in 2014 een Mercedes werd geleverd en daar werkt het team nu nog steeds mee. De korte samenwerking met Renault in 2012 leverde wel de eerste overwinning op sinds 2004 maar het is dan ook voorlopig het laatste serieuze wapenfeit van het team. Dat de overwinning werd behaald met Pastor Maldonado gaf al aan dat het team dringend geld nodig had. In de beste jaren zouden de Venezolaan en zijn oliedollars beleefd de deur zijn gewezen, maar nu kon Williams de cash goed gebruiken. Gelukkig leverde het een overwinning op maar het was bepaald geen preview op een nieuwe bloeiperiode.

Met de motoren van Mercedes leek het aanvankelijk wel wat beter te gaan. De laagste regionen waar het team op de ranglijst in bezeild was geraakt werden weer verlaten en ingeruild voor posities in de subtop. Er werden ook weer coureurs binnengehaald die het niet moesten hebben van hun portemonnee, niet de toppers maar met Massa en Bottas werden betrouwbare rijders binnengehaald die voor resultaten konden zorgen. Er werden ook weer podiumplaatsen behaald maar de hoogste positie bleef onbereikbaar.

Frank Williams besloot in 2010 de dagelijkse leiding van het team aan zijn dochter Claire te geven. Patrick Head had eerder al besloten terug te treden.
En naarmate de jaren voortschreden werd ook het geld weer belangrijker. Lance Stroll mocht eind 2016 voor heel veel geld speelgoed uitzoeken bij Williams, gefinancierd door pa. Je kon je afvragen wanneer de naam Williams van de deur werd gehaald en werd ingewisseld voor Stroll F1 of zoiets. Maar afgelopen seizoen was het jaar dat Williams absoluut de bodem van het vat bereikte. Er werden maar een paar schamele puntjes behaald en het enige zekerheidje was dat behoudens grid-penalties voor anderen de laatste rij bevolkt werd door Williams. Stroll had al gauw genoeg van zijn speelgoed en kocht nieuwe Dinky Toys bij Force India, compleet met beheer en onderhoud.

Je kan zeggen dat Williams beter af is zonder de Strolls, dat het in elk geval weer iets van zijn eigen kleur en karakter terug heeft. Maar zonder de Strolls is er wel een serieus budgetgat. Het enige waar Claire en haar werknemers op kunnen hopen is een briljante vondst op de technische afdeling of een briljante nieuweling achter het stuur. Wellicht gloort er dan een nieuwe bloeiperiode aan de horizon.

Terug naar teams